Procesbelang bij verstrekking AWBZ-zorg
In zaken met betrekking tot verstrekking van AWBZ-zorg speelt vaak het probleem dat, op het moment dat door de rechtbank of Centrale Raad van Beroep uitspraak wordt gedaan, de periode waarop de verstrekking van zorg ziet al is verstreken. Met andere woorden: de CIZ-indicatie ziet bijvoorbeeld op het jaar 2009, terwijl de Raad in 2011 uitspraak doet. De vraag is dan of een betrokkene nog wel belang heeft bij de uitkomst van een zaak. Indien iemand, ondanks het ontbreken van een indicatie, zelf zorg heeft ingekocht, dan is dit belang aanwezig. Die zorg kan dan met een later toegekend persoonsgebonden budget immers alsnog worden voldaan. Is er geen zorg verleend in de desbetreffende periode, dan kan er uiteraard geen zorg met terugwerkende kracht worden verleend. Heeft de betrokkene dan nog wel een procesbelang?
De Raad heeft zich in een uitspraak van 9 februari 2011 (LJN: BP3990) over deze vraag gebogen. De Raad stelde in deze zaak vast dat de periode waarvoor de betrokkene in aanmerking wenste te komen voor de verstrekking van zorg was verstreken. Anders dan de Raad tot op heden heeft geoordeeld, is de Raad thans van oordeel dat het belang van een betrokkene bij een inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van een besluit ook kan zijn gelegen in de omstandigheid dat het inhoudelijk oordeel van de Raad kan worden betrokken bij eventuele toekomstige aanvragen van die betrokkene om – vergelijkbare – zorg ingevolge de AWBZ. De Raad sluit daarmee aan bij de lijn die al eerder werd uitgezet door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het College van Beroep.
Deze koerswijziging van de Raad is mijns inziens een positieve ontwikkeling voor de AWBZ-praktijk. Met het kunnen voorleggen van een kwestie vanwege een toekomstig belang kunnen er veel procedures, en daarmee samenhangende kosten en frustaties van burgers, bespaard blijven.
