Uitkering
Dwangarbeid in de WWB? Deel II!
In mijn bijdrage van april 2009 besprak ik een uitspraak van de Rechtbank Arnhem van 8 oktober 2008 (LJN: BF7284). In deze uitspraak boog de rechtbank zich over de vraag of arbeid in het kader van een Work-First-traject als dwangarbeid of verplichte arbeid moest worden beschouwd. De rechtbank oordeelde dat er geen sprake was van dwangarbeid of verplichte arbeid. De rechtbank vond wél dat de gemeente Arnhem onvoldoende naar de individuele situatie van de betrokkene had gekeken. De opgelegde maatregel werd ingetrokken, echter de betrokkene verzocht de Centrale Raad van Beroep om een principiële uitspraak over het oordeel van de rechtbank dat geen sprake was van dwangarbeid. In een uitspraak van 1 oktober 2009 oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat de betrokkene geen procesbelang meer had bij het hoger beroep.
De Centrale Raad van Beroep deed op 8 februari 2010 (LJN: BL1093) echter wel een uitspraak in een andere “dwangarbeid-zaak”. In deze zaak werd de betrokkene verplicht om deel te nemen aan een Hoya-traject, waarbij de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling zouden worden bekeken. Naar het oordeel van de Centrale Raad van Beroep kan dit reïntegratietraject niet worden aangemerkt als dwangarbeid, omdat er geen fysieke dwang of psychische dwang op de betrokkene is uitgeoefend. Bij beantwoording van de vraag of er sprake is van verplichte arbeid, achtte de Centrale Raad van Beroep de volgende omstandigheden van belang:
1)de aard , de plaats, de duur en de werktijden van de in het kader van de aangeboden voorziening te verrichten werkzaamheden in relatie tot de mogelijkheden, de werkervaring, de opleiding en de gezinssituatie van de betrokkene;
2)de duur van de werkloosheid van de betrokkene;
3)of en zo ja, hoe de aangeboden voorziening kan bijdragen aan de arbeidsinschakeling van de betrokkene, en;
4)de zwaarte van de sanctie bij het niet meewerken aan de aangeboden voorziening.
In deze zaak was de Centrale Raad van Beroep van oordeel dat er geen sprake is van verplichte arbeid. Hierbij is onder meer rekening gehouden met het feit dat de betrokkene al 18 jaar een bijstandsuitkering ontving, de beperkte duur van de assessmentfase van het Hoya-traject en de in hoogte en duur beperkte sanctie. Naar het oordeel van de Centrale Raad van Beroep had de betrokkene verwijtbaar niet meegewerkt aan het reïntegratietraject en was de gemeente daarom gehouden de bijstandsuitkering van de betrokkene te verlagen.
In deze uitspraak van de Centrale Raad van Beroep is het reïntegratietraject dus niet aangemerkt als dwangarbeid/verplichte arbeid. Dit neemt niet weg dat er in een andere situatie wel degelijk sprake zou kunnen zijn van dwangarbeid/verplichte arbeid. De Centrale Raad van Beroep heeft immers expliciet overwogen dat een opgelegde verplichting om mee te werken aan onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling binnen het toepassingbereik van het verbod op verplichte arbeid valt. Dit kan in de toekomst dus nog interessante ontwikkelingen met zich brengen!
Gepubliceerd in Bossche Balie Bulletin juni 2010
