terug >>

Uitkering

Centrale Raad van Beroep draagt bij aan mobiliteit arbeidsmarkt

In een toespraak op 13 januari 2009, bij het in ontvangst nemen van de WRR-verkenning “Werk en Inkomsten na massa-ontslag”, heeft minister Donner van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangegeven dat mobiliteit op de arbeidsmarkt de sleutel is tot de aanpak van de economische crisis. Het kabinet heeft daartoe onder meer besloten om een landelijk netwerk van mobiliteitscentra op te richten. In dat licht bezien heeft de Centrale Raad van Beroep op 24 juni 2009 (o.a. CRvB d.d. 24 juni 2009, LJN: BJ2443) een aantal interessante uitspraken gedaan.

De Raad heeft in de uitspraken van 24 juni 2009 namelijk zijn zogenoemde “doorwerkingsjurisprudentie” verduidelijkt. De doorwerkingsjurisprudentie speelt een rol in de situatie dat een werknemer werkloos wordt uit een dienstbetrekking die niet zo lang heeft geduurd dat de werknemer uitsluitend aan die dienstbetrekking een recht op een WW-uitkering kan ontlenen. Met andere woorden: de werknemer voldoet met de laatste dienstbetrekking niet aan de referte-eis van artikel 17 Werkloosheidswet. Ter beantwoording van de vraag of er sprake was van verwijtbare werkloosheid, diende, volgens vaste jurisprudentie van de Raad, tevens de beëindiging van de vorige dienstbetrekking te worden beoordeeld. In de praktijk speelde deze situatie bijvoorbeeld wanneer een werknemer ontslag nam uit een dienstverband voor onbepaalde tijd en vervolgens als uitzendkracht ging werken. Indien de werknemer dan vervolgens, voordat hij met het uitzendwerk aan de wekeneis voldeed, werkloos werd, dan nam UWV het standpunt in dat er sprake was van verwijtbare werkloosheid en werd de WW-uitkering aan de werknemer geweigerd.

De Raad is thans van oordeel dat, indien de werkloosheid uit de nieuwe dienstbetrekking niet verwijtbaar is, er niet langer onderzoek naar de redenen van de baanwisseling behoeft te worden gedaan, mits er ten tijde van de baanwisseling een reëel vooruitzicht bestond op een dienstverband van tenminste 26 weken in een ongeveer gelijke omvang als de dienstbetrekking die beëindigd werd. Bij de beoordeling of er een reëel vooruitzicht bestond dient UWV te kijken naar de materiële inhoud van de door werkgever en werknemer gemaakte afspraken. De juridische vorm van deze afspraken is niet doorslaggevend. Ook een door een werkgever gewenste proefperiode heeft naar het oordeel van de Raad geen betekenis voor de verwijtbaarheid van de werknemer.

Pas indien door UWV wordt vastgesteld dat er bij de baanwisseling geen reëel vooruitzicht bestond op een dienstverband van tenminste 26 weken, dient er beoordeeld te worden of er bij de baanwisseling sprake was van verwijtbare werkloosheid. Bij deze beoordeling dienen de persoonlijke beweegredenen van de werknemer te worden meegenomen. De Raad heeft tot slot overwogen dat, indien er sprake is van verwijtbare werkloosheid, UWV dient te beoordelen of er aanleiding bestaat tot matiging van de maatregel.

De uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 24 juni 2009 betekenen een aanmerkelijke versoepeling van de doorwerkings-jurisprudentie. Hiermee heeft ook de Centrale Raad van Beroep, wellicht met de economische crisis in het achterhoofd, bijgedragen aan de mobiliteit op de arbeidsmarkt.

Gepubliceerd in Bossche Balie Bulletin in september 2009

 

meer >>