Op 28 juli 2010 heeft de Centrale Raad van Beroep uitspraak gedaan in een aantal op elkaar gelijkende zaken (LJN: BN2796, LJN: BN2809, LJN: BN2808). De casuspositie was als volgt: een werknemer wordt ziek en ontvangt gedurende de wachttijd van 104 weken loon van zijn werkgever. Na het einde van de wachttijd wordt er geen WIA-uitkering toegekend en blijft de werknemer passende werkzaamheden bij de werkgever verrichten. Vervolgens valt de werknemer opnieuw uit als gevolg van een andere ziekte-oorzaak (dit is van belang, omdat een werknemer die ten gevolge van dezelfde ziekte-oorzaak uitvalt, zich toegenomen arbeidsongeschikt kan melden bij het UWV en kan vragen om alsnog een WIA-uitkering toe te kennen). Heeft de werknemer recht op inkomen, en zo ja van wie?
In de eerste plaats speelt de vraag of de werkgever het loon opnieuw twee jaar dient door te betalen. In meerdere uitspraken van civiele rechters, waaronder een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 3 augustus 2004 (JAR 2004/274), is geoordeeld dat dit (meestal) niet het geval is. De werknemer is immers blijvend ongeschikt gebleven voor de bedongen arbeid. Dit is slechts anders als werkgever en werknemer een nieuwe arbeidsovereenkomst hebben gesloten, waardoor de passende arbeid wijzigt in de bedongen arbeid. In dat geval dient de werkgever het loon wél opnieuw twee jaar door te betalen.
In de zaken die bij de Centrale Raad van Beroep voorlagen hadden de werknemers geen nieuwe arbeidsovereenkomst gesloten met hun werkgever, waardoor zij bij ziekte wegens een andere ziekte-oorzaak geen recht op loon hadden. De werknemers vroegen daarom een Zietewet-uitkering bij UWV aan. UWV oordeelde dat artikel 29, tweede lid, van de Ziektewet een limitatieve opsomming bevat van de gevallen waarin een verzekerde aanspraak kan maken op ziekengeld en dat om die reden geen Ziektewet-uitkering aan de werknemers kon worden toegekend. In één van de drie zaken werd door de rechtbank Amsterdam (LJN: BC0204) geoordeeld dat er sprake is van een lacune in de wet en dat de situatie van de betrokkene gelijk te stellen was met een werknemer waarvan het dienstverband is geëindigd. De Raad is echter met UWV van oordeel dat artikel 29, tweede lid, van de Ziektewet een limitatieve opsomming bevat. De Raad verwijst daarbij naar de Memorie van Toelichting, waarin is aangegeven dat “indien er bij ziekte geen recht bestaat op loon dit niet automatisch betekent dat de betrokkene recht heeft op Ziektewet-uitkering”. Gelet op het gesloten stelsel van beëindigingwijzen van de arbeidsovereenkomst is een gelijkstelling, zoals door de rechtbank Amsterdam werd overwogen, niet in overeenstemming met de letter en de bedoeling van de Ziektewet. Zo er al sprake is van een lacune acht de Raad het niet aan hem maar aan de wetgever om hier invulling aan te geven.
Het voorgaande maakt duidelijk dat het voor werknemers van belang blijft om, bij het verrichten van passend werk na het einde van de wachttijd, een nieuwe arbeidsovereenkomst met hun werkgever te sluiten.
